2.4 Deutsche Gemeinschaft in Belgien (1973/NU)

Duitse Gemeenschap in België

[de Lage Landen] [in English] [Vorige] [Volgende]



Beschrijving van de vlag

In zilver, klimmende leeuw van keel, omringd door negen rozen van azuur.

De vlag is afgeleid van het wapen.

De wet van 1 october 1990 bepaalt zowel de vlag als het wapen van de gemeenschap.


Beschrijving van het wapen

In zilver, klimmende leeuw van keel, omringd door negen rozen van azuur. Erboven een koninklijke kroon.


Geschiedenis van de gemeenschap

De Duitstalige kantons Eupen en Sankt Vith, en het Franstalige kanton Malmédy werden door het Verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog toegewezen aan België. De feitelijke overdracht van het grondgebied gebeurde op 10 januari 1920.

In de Oostkantons leven vandaag de dag ongeveer 70.000 Duitstalige Belgen. Vaak worden ze de Laatste Belgen genoemd, omdat ze zich - in tegenstelling tot veel Vlamingen en Walen - thuis voelen in België en tegen opsplitsing van het koninkrijk zijn.

Eupen, Malmédy en Sankt Vith, die nooit een historisch geheel hebben gevormd, werden pas in 1795 samengebracht. Vanaf dat moment werd de bevolking heen en weer geslingerd tussen België en Duitsland.

Het noorden van de streek, Eupen en omgeving, hoorde honderden jaren bij het oude hertogdom Limburg, het midden van de Oostkantons behoorde tot de abdijen van Stavelot en Malmédy en het zuiden stond onder het gezag van de hertog van Luxemburg. Napoleon deelde het hele gebied in bij het door Frankrijk ingelijfde België.

Na de nederlaag van Napoleon schonk het Weense Congres het gebied aan Pruisen, op één stukje na. Het plaatsje Kelmis, op een steenworp afstand van Vaals, bleef als Neutraal-Moresnet gedurende een eeuw zelfstandig. In 1920, na de door Duitsland verloren Eerste Wereldoorlog, werd de streek met zijn elf gemeenten weer toegewezen aan België. Slechts 271 mensen - onder wie 69 autochtonen - hadden daartegen geprotesteerd in een soort referendum, dat door historici wordt bestempeld als la petite farce belge (de kleine Belgische farce).

Maar de Oostkantons werden spoedig weer Duits. In 1940 annexeerde Hitler het gebied. Voor die tijd waren er al wel pogingen geweest van Duitse nationalisten om de Belgische Oostkantons te laten terugkeren naar de Heimat. De aantrekkingskracht van het Derde Rijk was groot. Heel wat inwoners uit dit gebied vonden werk in Duitsland. Op 18 mei 1940 werden Eupen, Malmédy, Sankt-Vith, Kelmis en enkele oud-Belgische dorpen rond Montzen aangehecht bij het Duitse Rijk.

Veel jonge mannen, pubers vaak nog, werden gedwongen dienst te nemen in het Duitse leger. Er was collaboratie, maar minder dan in Vlaanderen en Wallonië, waar een relatief groot aantal vrijwilligers diende bij de SS. Van de 8.700 soldaten uit de Oostkantons, kwamen er tweeduizend om het leven. Pas in 1989 kwam er volledig eerherstel en een financiële vergoeding voor deze Zwangssoldaten en mensen die in Duitse gevangenschap hadden gezeten.

Na de bevrijding op 4 februari 1944 werden de Oostkantons opnieuw Belgisch grondgebied. Het Duits werd ook erkend als een van de officiële talen in België. Sinds 1973 bestaat de raad van de Duitstalige cultuurgemeenschap - later omgevormd tot Duitse gemeenschapsraad - met een eigen regering sinds 1984.

Het oostelijk deel van België behoort officieel tot het grondgebied van het Waalse gewest, al hebben de Duitstaligen een groot aantal eigen bevoegdheden. De bevolking spreekt naast haar Duitse moedertaal ook Frans en soms zelfs Nederlands. Slechts een minderheid streeft naar autonomie. Uit een enquête in de Duitstalige krant Grenz Echo bleek enkele jaren geleden dat 57 procent van de ondervraagden zeer tevreden is in België. Indien het ooit zover komt dat België uit elkaar valt, dan wil de meerderheid bij Wallonië blijven. Slechts 4 procent zou in dat geval kiezen voor aansluiting bij een Duitse deelstaat.

Eupen is het economisch centrum van Duitstalig België, Malmédy het centrum van het Franstalige deel van de Oostkantons. De grootste plaats in het zuiden van de Oostkantons is Sankt-Vith, het centrum van een bosrijk en groen gebied, dat bij toeristen zeer in trek is.

Bron: De Limburger, zaterdag 22 juli, met dank aan Mark Sensen.


Laatste aanpassing: 1996-09-24

f.a.vanlaenen@ieee.org