5.3 Graafschap Vlaanderen

[de Lage Landen] [in English] [Vorige] [Volgende]


(1: Vlag)

(2: Wapen)


Beschrijving van de vlag

(1) Gedwarsbalkt in drie stukken van keel, zilver en goud; in de dwarsbalk van zilver een knoestig kruis van keel.


Beschrijving van het wapen

(2) In goud, klimmende leeuw van sabel, getongd en genageld van keel

Tot in de 16de eeuw was de leeuw getongd en genageld van sabel.


Geschiedenis van de Vlaamse Leeuw

De leuze "Vlaendren die Leu" stond volgens Eug. Sanders op het schild van Pieter de Coninck bij de Guldensporenslag van 11 juli 1302 nabij de Groeningekouter, en werd ook geroepen door een driehonderdtal Brabantse edelen, toen ze, na in de Franse rijen te hebben gestreden, zagen dat de kansen voor de Vlamingen keerden. In Spiegel Historiael van Lodewijk van Velthem wordt ook verwezen naar de leeuw in een lied op de Slag van Blangys-Guinegatte (die plaatst had in augustus 1472). Later gebruikt Hendrik Conscience de leuze in zijn Leeuw van Vlaanderen.

[Goe] verwijst naar [War80] van E. Warlop als een grondige wetenschappelijke studie naar de oorsprong van de Vlaamse leeuw.

De Mythe

De eerste bekende poging om de oorsprong vast te stellen zou ondernomen zijn door Jan de Lange, beter bekend als Iperius, abt en historiograaf van de Sint-Betrijnsabdij. Deze vertelt dat van de eerste forestier af de graven van Vlaanderen een wapen voerden "Oude Vlaenderen" genoemd. Tijdens de kruistocht van 1177 zou de Graaf van Vlaanderen, Filips van de Elzas, tijdens een gevecht tegen de Sarrazenen door zijn dapperheid de zwarte leeuw op gouden veld veroverd hebben op een mohammedaans vorst. Bij zijn terugkeer deed de graaf afstand van "Oude Vlaenderen" en nam de zwarte leeuw aan. Sindsdien hebben de graven van Vlaanderen altijd "in goud een leeuw van sabel" als wapen gevoerd.

Dr. E. Warlop stelt vast dat de leeuw voor het eerst verschijnt op een zegel van Filips van de Elzas in 1162, dus vijftien jaar vóór de "verovering" in het Heilige Land. Het verhaal van Iperius dateert uit de tweede helft van de veertiende eeuw -twee eeuwen na de feiten- en kan bijgevolg niet juist zijn. Geen enkel wetenschappelijk vaststaand feit bewijst trouwens dat de graven ooit "Oude Vlaenderen" als schild gevoerd hebben! Alle bekende beschrijvingen en afbeeldingen dateren van nà het verhaal van Iperius. Volgens Warlop vinden ze vermoedelijk dan ook hun oorsprong in dit verhaal, dat met bepaalde bedoelingen verspreid was. De oorsprong van de Vlaamse leeuw moet dan niet gezocht worden in het Heilige Land, maar in de omgeving van Filips van de Elzas zelf.

Leeuwen in de Omgeving van Filips van de Elzas

Vier jaar vóór het zegel van Filips, in 1158, verschijnt er op het tegenzegel van Willem van Ieper een rechtsgaande leeuw. Willem kan dit wapen geërfd hebben van de vroegere graven, of meegebracht hebben uit Engeland, waar hij twintig jaar verbleef als aanvoerder van huurtroepen in dienst van de Koning.
Filips kan het wapen ook gekozen hebben als zoon van Sybilla van Anjou, zuster van Godfried Plantagenet, die een schild voerde met twee klimmende (rechtopstaande en naar links gekeerde) leeuwen. Hij kan het ook gekozen hebben wegens zijn verblijf in Engeland waar hij tijdens een kruistocht van zijn ouders onder bescherming stond van de Engelse Koning, Hendrik II Plantagenet. Hendrik II voerde gaande leeuwen in zijn schild.

Betekenis van de Leeuw

In de twaalfde eeuw begon de gaande leeuw, eigenlijk een verre afstammeling van de draak, het zinnebeeld te worden van het heidendom en van opstandigheid tegen de kerk. De klimmende leeuw werd echter het zinnebeeld bij uitstek van de christelijke ridder, en het ligt dus voor de hand dat Filips van de Elzas, die zelf tweemaal naar het Heilige Land trok, dit symbool op zijn schild plaatste.

Een tweede reden kan zijn dat zowel Diederik als Filips van de Elzas beslag wilden leggen op het nalatenschap van Willem van Ieper, ten nadele van diens onwettige maar gelegitimeerde zoon. Om het gevaar van usurpatie te voorkomen werd het wapen van Willem echter niet letterlijk overnomen: de gaande leeuw werd een klimmende.

Ten slotte kan het ook overgenomen zijn van Godfried Plantagenet, als het symbool van de christelijke ridder. De gaande leeuw paste bovendien beter in een driehoekig schild.

Het verhaal van de verovering van de leeuw op de Sarrazenen diende daarom waarschijnlijk als verdoezeling voor de minder fraaie werkelijkheid.


Geschiedenis van het graafschap

Oorspronkelijk was Vlaanderen bewoond door Kelten, die door de Germanen west- en zuidwaarts werden verdreven. Onder de Germaanse stammen, die Vlaanderen in de eerste eeuw voor Christus bewoonden, waren de Menapiërs en de Morinen, van wie Julius Cæsar getuigt dat ze nooit naar hem om vrede zonden, alsook de Atrebaten de voornaamste. Van de zesde tot de negende eeuw behoorde Vlaanderen, dit is de huidige provincies Oost- en West-Vlaanderen, alsook Zeeuws- en Frans-Vlaanderen, geheel tot het grote Frankenrijk van de Merovingische en Karolingische vorsten. Het werd gekerstend door de prediking van geloofsverkondigers onder wie de Heilige Amandus, Eligius, Livinus en Willibrordus de voornaamsten waren.

Bij de verdeling van het Karolingisch rijk in 843 door het verdrag van Verdun kwam het gebied op de linkeroever van de Schelde aan West-Frankenland. Als graaf-ambtenaar van zijn schoonvader Karel II de Kale oefende Boudewijn I met de IJzeren Arm het bestuur uit over het kustgebied rondom Brugge, dat de naam Vlaanderen droeg. Van daaruit breidden zijn zoon Boudewijn II en zijn kleinzoon Arnulf I het graafschap zuidwaarts uit tussen 879 en 965, terwijl Boudewijn IV en Boudewijn V tussen 988 en 1067 in oostwaartse richting gebied veroverden dat van het Duitse rijk afhing en daarom Rijks-Vlaanderen werd geheten, in tegenstelling tot Kroon-Vlaanderen dat van de Franse kroon afhing. Boudewijn VI verenigde door zijn huwelijk Hainaut met Vlaanderen, maar na zijn dood in 1070 raakten beide graafschappen weer uit elkaar. Na de moord op de zalige graaf Karel de Goede in 1127 kende Vlaanderen hachelijke ogenblikken. Koning Lodewijk VI van Frankrijk verhief Willem van Normandië tot graaf, maar deze kon zich niet handhaven tegen de Vlaamse burgers. In 1128 werd Dirk van de Elzas tot graaf uitgeroepen. Onder zijn regering en die van Filips van de Elzas (1168-1191) namen macht en welvaart in aanzienlijke mate toe. Een bloeiend lakennijverheid bevorderde de ontwikkeling van de handel en de politieke machtsuitbreiding van de grote steden Brugge, Gent en Ieper. Brugge werd de stapelplaats voor de zeehandel van noordwestelijk Europa, en de kunst kende een hoogtepunt.

Filips van de Elzas schonk zijn nicht met Artesië als bruidschat aan koning Filips II van Frankrijk. In 1191 volgde een nieuwe vereniging van Vlaanderen met Hainaut onder Boudewijn VIII (1191-1194), maar juist die macht leverde hem ook vijanden op. Boudewijn IX nam, evenals verschillende van zijn voorgangers, deel aan een kruistocht, en werd in 1202 tot keizer van Konstantinopel gekroond. De welvaart van Vlaanderen wakkerde bij de intussen ook sterker geworden Franse koning het verlangen aan tot annexatie. Na de zege van Filips August bij Bouvines in 1214 kwam Vlaanderen meer en meer onder Franse invloed. Tegen die dreiging zocht het hulp bij Engeland vanwaar het overigens de wol betrok als onontbeerlijke grondstof voor zijn lakennijverheid; de Engelsgezinde politiek van graaf Gwijde van Dampierre (1280-1305) bracht hem in openlijke strijd met zijn leenheer Filips de Schone. In 1297 werd Gwijde van Dampierre verslagen, en in 1300 met zijn familie gevangen gezet. De willekeur en overmoed van de stadhouder Jacques de Châtillon, de afpersingen van zijn ambtenaren en het uitdagende bezoek van Filips en zijn gemaling te Brugge in mei 1301, waarbij de Fransgezinde partij (Leliaards) grote feesten hield, wekt de verontwaardiging van de volkspartij (Klauwaards), aangevoerd door Pieter De Coninck en Jan Breydel. Overal ontstonden volksbewegingen, onder andere te Brugge, waar op 19 mei 1302 de Fransen werden vermoord (Brugse Metten). De Châtillon ontkwam met moeite. Het leger door Filips gezonden om de Vlamingen te tuchtigen, werd in de Guldensproenslag van 11 juli 1302 verslagen; de Vlamingen drongen in Artesië binnen en brachten de legers nog menige nederlaag toe. In mei 1304 werd een wapenstilstand gesloten, en graaf Gwijde kwam uit de gevangenis om de definitieve vrede voor te bereiden. Toen hij hier echter niet in slaagde, keerde hij in de gevangenis terug, en Filips viel Vlaanderen opnieuw binnen. Te Mons-en-Puelle had een onbesliste slag plaats, en einde september 1304 werd een voorlopig verdrag getekend. In juni 1305 werd de vrede gesloten, waardoor Vlaanderen opnieuw onafhankelijk werd, maar zijn voornaamste steden moest ontmantelen.

Onder Lodewijk van Nevers (1322-1384), die verscheidene opstanden verwekte, was Jacob van Artevelde feitelijk meester in Vlaanderen. Bij het uitbreken van de Honderdjarige Oorlog in 1337 tussen Frankrijk en Engeland koos Jacob van Artevelde, na een korte neutraliteit, de Engelse zijde, maar tweespalt en naijver leidden tot zijn vermoording. Zijn zoon Filips van Artevelde streed roemrijk tegen Lodewijk van Male (1346-1384), die hem, met de hulp van koning Karel VI van Frankrijk en Lodewijks schoonzoon Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, in 1382 bij Westrozebeke versloeg. Graaf Lodewijk van Male hield het zoveel mogelijk bij een evenwichtspolitiek, en zijn schoonzoon Filips de Stoute streefde handig naar machtsuitbreiding door diplomatie en huwelijkspolitiek. Uit verontwaardiging om de moord op Jan zonder Vrees in 1419, koos zijn zoon Filips de Goede partij tegen Frankrijk. Door hem kwam Vlaanderen ook terecht in het uitgebreide landencomplex dat de Bourgondische gestalte van de Nederlanden heten mag. De laatste feodale banden tussen het graafschap Vlaanderen en de Franse koning verdwenen toen Frans I van Frankrijk in 1526 bij de vrede van Madrid en opnieuw in 1529 bij de vrede van Kamerijk zijn leenheerlijke rechten op Kroon-Vlaanderen opgaf.

Na de Bourgondische heerschappij kwam de Habsburgse (1482-1555), daarna de Spaanse (1555-1713). Onder de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) nam Vlaanderen aanvankelijk deel aan de opstand, maar werd snel door Spanje bedwongen. Bij de Vrede van Münster in 1648 moest Spanje Staats-Vlaanderen aan de republiek der Verenigde Nederlanden afstaan. Later verloor het nog Duinkerken, Rijssel en andere steden aan Lodewijk XIV van Frankrijk. Sedert 1713 maakte Vlaanderen deel uit van de Oostenrijkse Nederlanden, en van 1797 tot 1815 vormde het twee Franse departementen, die in 1815 als Oost- en West-Vlaanderen bij het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden werden gevoegd. Na de Belgische opstand van 1830 kwamen zij aan het nieuwe gevormde koninkrijk België.


5.3.1 Oude Vlaenderen


Laatste aanpassing: 1997-07-27

f.a.vanlaenen@ieee.org